Snel rukte ik de kapstok van zijn plaats en gebruikte hem om de kapotte deur te blokkeren. Eindelijk veilig. Hijgend zakte ik neer op de houten vloer. En toen werd het me toch nog te veel. Alles werd zwart voor mijn ogen terwijl mijn hoofd de grond raakte.
Ik weet niet hoe lang ik daar lag. Misschien wel uren. Ik merkte dan ook niet dat er aan de kelderdeur gerammeld werd. Dat de klink naar beneden ging en de kapstok op de grond viel. Dat een stank zich door de gang verspreidde en dat een gedaante langs de deur naar buiten glipte. Om met een laatste grom te verdwijnen in de nacht.