Zodra ik de deur achter me dicht deed slaakte ik een diepe zucht.

Gelukt, ik ben het huis uit, dacht ik in mezelf.

Ik had met mijn vrienden, genaamd Tim, Niels en Erik, afgesproken om precies 12 uur ’s nachts bij het oude huis op de grote heuvel vlak achter mijn huis.

Ik keek op de klok en zag dat het al vijf voor twaalf was.

Ik moest opschieten.

Ik pakte mijn fiets heel zachtjes uit de schuur en racete toen naar het oude huis toe.

Toen ik er bijna was begon ik toch wel een beetje te twijfelen.

Zou ik wel gaan.

Op school had hij veel verschillende verhalen gehoord over dat huis.

Veel mensen zeiden dat de mensen die er eerst woonde maar nu overleden zijn nog steeds in dat huis zouden rondspoken.

Nou ja, overleden, sommige mensen zeiden dat de mensen vermoord waren.

Hij had de verhalen nooit geloofd maar nu het er op aankwam begon hij toch een beetje te twijfelen.

Maar als ik niet zou gaan zouden ze me morgen op school uitlachen.

Laat ik toch maar gaan, ik laat me niet bang maken door dat soort stomme verhalen.

Ik was er nu echt bijna, ik zag het huis al naderen.

Toen ik er aankwam zag ik dat ik nog de enige was en dat mijn vrienden er nog niet waren.

Ik keek op mijn horloge hoe laat het was en zag dat het al tien over twaalf was.

Wat waren ze laat.

Het zou toch niet weer zo’n stomme grap zijn?

Nee, zoiets zouden zijn vrienden hem nooit flikken.

Toen hoorde hij opeens een keiharde gil……. AAAAAAAAH, het leek vanuit het oude huis te komen.

Een rilling liep over mijn rug.

Het leken zijn vrienden wel.

Wat moest hij nu doen, moest hij teruggaan naar huis of….. moest hij het huis ingaan om op onderzoek uit te gaan.

Na lang nadenken koos hij toch voor het laatste.

Stel dat het echt zijn vrienden waren dan kon hij ze toch niet laten stikken in dat oude huis.

Hij pakte zijn zaklantaarn die hij voor de zekerheid mee had genomen en liep langzaam naar het huis.

Hij deed de deur open die verschrikkelijk kraakte.

Het liefst was hij nu zo weggerend en weer lekker in bed gaan liggen maar nu was hij al zo ver dat hij nu niet meer terug kon.

Hij liep langzaam door de gang en keek goed om zich heen.

Maar wat zag hij daar?

Hoorde hij niet iets?

O, het was maar een muis.

Wat gebeurde er met me?

Er zal toch niet echt iets engs zijn in dit huis.

Dat kon niet, dat soort dingen konden niet bestaan.

Ik liep verder en kwam in een grote kamer uit.

Dit zou de woonkamer wel geweest zijn, dacht ik.

Daar was die gil weer………AAAAAAAAH, ik viel bijna om van schrik.

De gil klonk anders dan eerst maar dat zou ook kunnen komen doordat hij juist nog buiten stond en nou binnen.

Hij keek goed rond in de woonkamer, maar opeens zag hij een soort schim.

Het was maar heel even, het leek wel of de schim door de muur heen ging.

Het zou toch niet een…………. Spook zijn?!

Dat kon niet, dat was onmogelijk.

Er bestonden geen spoken, die kwamen alleen maar in verhalen voor.

Toen zag ik het weer.

Weer een schim.

Maar dit keer bleef hij in de kamer.

Hij kwam langzaam op me af, hij wilde me grijpen en toen…

 

“Waar blijft hij nou, we staan nou al een half uur op hem te wachten.

Normaal is hij nooit te laat.” Zei Tim.

“Hij ligt waarschijnlijk nog gewoon te slapen, de luilak.” Zei Erik.

“Nou, kom op jongens, wij waren ook te laat, misschien was hij er wel maar is hij weg.” Zei Niels.

“Nou, zullen we dan maar met zijn drieën het huis ingaan?”

“Ja, oké, ik vind het goed.”

Zo liepen Niels, Tim en Erik het huis in, niet wetend wat zich daar allemaal afspeelde.

 

En toen verdween de schim opeens.

Ik was nat van het zweet.

Ik dacht echt dat ik er geweest was.

Nu had ik er echt geen zin meer in, ik wou weg.

Ik liep naar de deur om naar buiten te gaan maar toen ik de deur probeerde open toen merkte ik dat………. de deur op slot zat.

Ik kon er niet meer uit!

Ik rammelde aan de deur maar er was geen beweging in te krijgen.

Toen hoorde ik stemmen vanuit het huis komen.

Ze kwamen steeds dichterbij.

Ik moest me verstoppen.

De stemmen leken nu van vlakbij te komen.

Ik hoorde een heel zware stem en een soort van geruis.

Ik hoorde ze praten:”Heb jullie dat jongentje nou nog niet te pakken?

Zo moeilijk zal het toch niet zijn.

Ik zorg nu al vijf jaar voor jullie en nu moeten jullie iets terugdoen.

Ik wil dat kind om mijn dorst te lessen.

En ik wil het nu!”

Toen ik hoorde weer een soort geruis dat een beetje op een stem leek.

Ik hoorde: “Ja baas, we doen ons best, maar er is 1 probleem en daar dachten we opeens aan.

We kunnen hem niet pakken want dan gaan we door hem heen.”

Toen hoorde ik de zware stem weer:”O, wat zijn jullie toch dom, nou, dan pak ik hem zelf wel.”

Toen wist ik het, dat geruis waren natuurlijk de spoken, maar ik had echt geen idee wat die zware stem zou kunnen zijn.

Hij zij wel iets over zijn dorst lessen.

Het zou toch niet…… een vampier zijn?!

Als er spoken bestonden zou een vampier natuurlijk ook niet onmogelijk zijn.

Maar nu had ik nog iets om over na te denken: ik had in boeken gelezen dat spoken overledene waren, maar wie waren dit dan.

En toen wist ik het, het waren natuurlijk de mensen die hier eerst woonden.

Waar was ik aan begonnen, waarom was ik niet gewoon thuis gebleven?

Dit was allemaal mijn eigen schuld.

Maar waar was die gil dan van?

Misschien hadden ze mijn vrienden al te pakken.

 

“Laten we toch maar naar huis gaan.” Zei Niels.

“Ja, dat lijkt me een goed idee.” Vond Erik ook.

“Oké, maar laten we dan nog wel even langs het huis van Nick gaan.”

En zo gingen ze naar het huis van Nick.

Toe ze daar aankwamen probeerde ze door het raam naar binnen te glippen.

Het raam was open dus zo werd het gelijk een stuk simpeler.

Toen ze binnen waren keken ze de kamer rond.

Maar Nick was er niet.

Hij lag niet in zijn bed en was nergens te bekennen.

“Waar is hij nou?” vroeg Niels zich af.

“Hij is waarschijnlijk beneden iets aan het drinken omdat hij niet kon slapen ofzo.”

“Ja, dat zal wel, nou dan gaan we maar weer.”

 

Toen ik zeker wist dat de vampier en de spoken weg waren probeerde hij nog een keer de deur open te maken maar het was onmogelijk.

De deur zat muurvast.

Er was vast nog wel ergens anders een deur die wel open was maar die was in ieder geval niet beneden.

Dus dan moest ik naar boven toe.

Ik sloop langzaam de trap op.

Toen ik boven aan kwam zag ik wel vijf kamerdeuren maar ik wist niet welke ik moest kiezen.

Uiteindelijk nam ik de rechterdeur.

Ik liep langzaam naar binnen en keek om me heen.

In de hoek van de kamer stond een bed en daarnaast een nachtkastje.

Dit was vast de slaapkamer.

Toen hoorde ik iets.

Voetstappen op de trap.

Ik kroop snel onder het bed en keek wat eraan kwam.

Toen zag ik hem… de vampier.

Hij liep langzaam de slaapkamer binnen.

Ik hoorde hem wat mompelen.

Hij stond nu vlak naast het bed en ik kon hem ruiken.

Hij stonk naar schimmel.

Toen hoorde ik hem heel duidelijk zeggen:”Ik ben hier niet alleen, ik ruik vers bloed.”

Hij had me geroken, ik moest vluchten maar ik kon nergens heen.

Wat moest ik doen?

Ik keek om me heen of ik ergens heen kon om te vluchten maar er was geen uitweg te zien.

Ik hoorde de vampier roepen: “Kom hier, ik weet dat je hier ergens zit.

Ik vind je toch wel!”

Ik werd steeds nerveuzer, want ik had steeds minder tijd.

Toen zag ik iets, een gat in de muur.

Ik kroop het gat in maar toen ik achterom keek zag ik de vampier onder het bed keek.

Hij kwam me achter na en riep: “Ik heb je gevonden, en nou ben je van mij!”

Ik begon sneller te kruipen, maar de tunnel waar ik door heen kroop werd steeds smaller en uiteindelijk moest ik op mijn buik verder door de tunnel.

De vampier kreeg gelukkig ook steeds meer moeite om door de tunnel heen te kruipen.

Opeens voelde ik een pijnlijke steek in mijn been.

De vampier had me met een mes in mijn been gestoken.

Gelukkig liet hij het mes precies in een klein gat in de vloer vallen waardoor hij er niet meer bij kon.

Ik kon mijn been haast niet meer bewegen maar ik moest verder gaan.

Opeens hoorde ik een snerpende gil achter me……AAAAAAAAH!

Het was de vampier.

Ik keek achterom en wie zag ik daar nou…… het was Niels.

Hij had met een houten staak door het hart van de vampier geslagen.

Ik was zo verbaasd dat ik geen woord kon uitbrengen.

“Kom mee!” zei Niels tegen mij.

Hij pakte me bij mijn arm en sleurde me mee naar buiten.

Ik strompelde wel want ik had nog wel last van mijn been en het bloede verschrikkelijk.

Maar toen we eindelijk bijna bij de deur waren kwamen ze daar opeens aan… de spoken.

We probeerden de deur open te doen maar die zat nog steeds op slot.

Ik vroeg aan Niels: “Hoe ben je naar binnen gekomen, want misschien kunnen we er daardoor ook weer uit.”

“Er stond boven een raam open in de slaapkamer, maar daar kunnen we nu niet meer heen.

Maar ik weet hoe we door deze deur kunnen.” Was het antwoord van Niels.

Ondertussen kwamen de spoken steeds dichterbij.

Toen pakte Niels de houten staak en sloeg de ruit van de deur in.

Snel klommen we naar buiten en rende we snel weg van het huis.

Toen we zeker wisten dat de spoken ons niet meer achterna kwamen begon ik vragen te stellen aan Niels: “Hoe wist je dat ik in het huis zat?”

“Nou, Erik, Tim en ik waren nog even naar jouw huis gegaan maar je was er niet.

Iedereen dacht dat je beneden was maar ik vertrouwde het zaakje niet.

Toen ben ik gaan kijken en toen hoorde ik jou gillen.

Maar ik ga nu naar huis want anders wordt mijn moeder ongerust.”

“Oké.” Riep ik hem na. “En nog bedankt hé!”

Toen Niels uit het zicht verdwenen was ging ik ook weer naar huis.

Toen ik thuis aankwam ging ik door mijn slaapkamerraam weer naar binnen en ging snel liggen in mijn bed.

Ik was achteraf eigenlijk ook wel blij dat ik naar het huis was gegaan.

Ik bedoel maar, zo beleef je nog eens iets.

 

Einde